Pages Menu
Categories Menu

Intro Loopbaan

Terugkijkend heb ik een gevarieerde, maar ook samenhangende beroepsloopbaan gehad. Zowel naar plaatsen, werkplekken als rollen is sprake geweest van een regelmatige afwisseling. Amersfoort, Nijmegen, Bunnik, Nijmegen, Delft, Den Haag en Malden zijn allemaal plaatsen waar ik actief ben geweest. Mijn werkplekken waren: een centrum voor volksontwikkeling, een onderzoeksinstituut, een gemeente, een  landelijk bureau voor procescoördinatie,  een Internetorganisatie,  een school voor middelbaar beroepsonderwijs, een nationaal platform, een hogeschool en mijn eigen onderneming.

  • Wat rollen betreft is de onderzoeksrol dominerend geweest. Ik heb zeer ruime onderzoekservaring opgedaan met zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek. Opvallend hierbij is dat in de latere loopbaan een oude methodische liefde terugkeert. Als student heb ik veel tijd gestoken in actieonderzoek en mijn afstudeerscriptie gaat hierover. De laatste jaren heb ik in het kader van allerlei verbeter- en innovatieprojecten deze methodiek in een nieuwe vorm weer opgepakt;
  • Adviseur. Na afronding van mijn promotie ben ik mijn onderzoekservaring gaan uitbreiden met advieswerkzaamheden. Het accent hierbij heeft steeds gelegen op vernieuwing van het beroepsonderwijs. Eerst tijdens mijn werk voor de SVM- en BVE-procescoördinatie eind jaren tachtig, BVEnet in de jaren negentig en Axis, Deltapunt Bèta/Techniek en HPBO in deze eeuw.
  • Leidinggevende. Eerst als projectleider, daarna als hoofd van verschillende onderzoeksgroepen heb ik deze rol geleerd. Vervolgens heb ik als directeur van de procescoördinatie SVM en BVE en als projectmanager/directeur BVEnet ruime ervaring opgedaan met leidinggeven aan relatief kleine organisaties. Als directeur Technische Sector ROC/Nijmegen had ik te maken met een grote organisatie en tot slot als programmaleider Evaluatie en Onderzoek Axis met een complexe netwerkorganisatie.
  • De rol van docent heb ik in beperkte mate op me genomen. Bij de start van mijn loopbaan als docent MO-pedagogiek en op het einde van mijn loopbaan als lector pedagogiek van de beroepsvorming op de Haagse hogeschool.

De sterke samenhang in mijn loopbaan betreft de inhoud. Op een paar uitzonderingen na heb ik me altijd beziggehouden met het beroepsonderwijs. Het vaakst in het mbo, maar ook in vmbo en hbo. Allerlei aspecten van dit onderwijs zijn in de loop der jaren de revue gepasseerd: doelgroep en doelstellingen; programmering en organisatie; missie, visie en strategie; en niet te vergeten: innovatie en herontwerp.

Zoals al gezegd, onderscheid ik drie perioden in mijn loopbaan. De eerste periode, bijna twintig jaar, stond het doen van onderzoek naar functioneren van het beroepsonderwijs centraal. Daarna heb ik me een tiental jaren beziggehouden met advisering en uitvoering van innovatiebeleid in het mbo. De laatste, ruim tien, jaren van mijn loopbaan heb ik me vooral gericht op het meewerken aan concrete verbeteringen en vernieuwingen van de onderwijspraktijk.

Vanaf 2000: de onderwijspraktijk centraal

September 1999 kreeg ik in het kader van Axis, een landelijk platform voor stimulering van bèta/techniek, van Willem van Oosterom, directeur van dit platform, de gelegenheid mijn ideeën over een hecht samenspel tussen beleid en onderzoek ten faveure van een betere onderwijspraktijk waar te gaan maken. Op basis van vooral mijn recente ervaringen met de opzet, uitvoering en verantwoording van BVEnet heb ik een meerjarig evaluatie- en onderzoeksprogramma voor Axis ontwikkeld. Hierin stond het aanjagen en opsporen van good practices op het gebied van bèta/techniek onderwijs centraal en ook het evalueren en distribueren van de geproduceerde good practices. Dit E&O-programma heeft ervoor gezorgd dat de voortgang van Axis rijk is gedocumenteerd.
Mijn streven naar verbetering van de onderwijspraktijk kreeg in 2004 een extra impuls door het lectoraat “Pedagogiek van de beroepsvorming” aan de Haagse hogeschool. In de intreerede “Herontwerp beroepsonderwijs. Een strijdtoneel” van juni 2004 formuleerde ik nieuwe ontwerpprincipes voor het aantrekkelijker maken van het beroepsonderwijs. Volgens mij schiet het bestaande onderwijs te kort als het gaat om bij elkaar brengen van behoeften van deelnemers en wensen van bedrijven/instellingen. Ik heb toen ook eerste herontwerpprojecten gepresenteerd die al in de gewenste richting werkten en tevens een aanpak voor de monitoring en evaluatie van dergelijke projecten voorgesteld. Door de combinatie van visie, aanpak en reflectie op voortgang zou een stevige eigen body of knowledge opgebouwd kunnen worden over hoe eigentijdse beroepsvorming tot vakmanschap het best vorm gegeven kon worden.
In de publicatie “ROC als loopbaancentrum” (2006) zijn door mij herontwerpidealen en -principes op basis van een beroepspedagogisch perspectief nader uitgewerkt en heb ik beschreven aan welke kenmerken een ROC dat die kant op wil, zou moeten voldoen. Door de grote afstand met de realiteit zal realisatie veel tijd en moeite gaan kosten. Scholen worden immers uitgedaagd het bestaande onderwijs grondig te innoveren omdat de relatie met de leerling en ook de relatie met bedrijven/instellingen anders ingericht dienen te worden dan gangbaar is. Dit herontwerpen zie ik als een derde weg in de afstemming tussen aanbod van en vraag op de arbeidsmarkt. Na het aanbodgerichte beroepsonderwijs van de industriële tijd en als reactie hierop de vraag- of marktgerichte benadering van de tachtiger en negentiger jaren, zou  nu de eigen kennis en kunde (de professie) van scholen en bedrijven centraal moeten komen te staan over hoe beroepsvorming zo optimaal mogelijk kan plaatvinden. Het beroepspedagogisch perspectief dat wordt geschetst, daagt in mijn ogen niet alleen het mbo, maar ook vmbo en hogescholen uit om het opleiden tot vakmanschap opnieuw te gaan inrichten. Een en ander is behalve in de hiervoor al genoemde twee rapporten uitgewerkt in een aantal artikelen. Hier wil ik in het bijzonder wijzen op twee artikelen waarin mijn ideeën over een nieuwe pedagogiek voor beroepsonderwijs zijn uitgewerkt: “Het gaat om talentvol vakmanschap” in Gids BVE, april 2007 en “Van opleidingenfabriek naar loopbaancentrum” Gids BVE, febr. 2003.

Eerst Axis en daarna Deltapunt Bèta/Techniek en later HPBO brachten me veel dynamiek en stimulans om samen met hen te zoeken naar manieren waarop de praktijk van het beroepsonderwijs verbeterd en vernieuwd kon worden. Ik denk met veel plezier terug aan de stevige discussies hierover met Willem van Oosterom, directeur Axis, met Hans Corstjens, directeur van Deltapunt Bèta/techniek en met Dries van Delft, directeur HPBO. Wat betreft publicaties kan ik voor verbetering en vernieuwing van het bèta/technisch onderwijs wijzen op het samen met Peter van den Dool geschreven rapport “Techniek uit balans” Axis/Delft, jan. 2000 en mijn rapport “Herontwerp hoger technisch onderwijs, Axis/Delft, 2004. Op basis van de monitoring en evaluatie van talrijke innovatieprojecten die de drie platforms onder hun hoede hadden, ontstond stap voor stap meer en meer inzicht over wat wel en niet werkte als het om vernieuwing van het beroepsonderwijs gaat. Deze kennis heeft ondermeer zijn neerslag gevonden in het samen met Willem van Oosterom geschreven artikel: “Zeven lessen succesvoller vernieuwen. Aan de slag met rapport commissie Dijsselbloem” in: Tijdschrift voor H&M, 2008/3 en in een samen met Hans Corstjens gemaakte bijdrage voor het Tijdschrift H&M van november 2007 met als titel: “Resultaat gericht innoveren”.  Opgedane kennis uit HPBO-projecten is o.a. te vinden in het samen met Jose van den Berg geschreven rapport: “Leren van innoveren: vijf sleutels voor succes” Den Bosch/Cinop, 2007. In het artikel “Maakbaar innoveren in het beroepsonderwijs. AZ als goede voorbeeld”, Gids BVE, juni 2009 waag ik een poging verworven inzichten te bundelen.

In de periode na 2000 heb ik een vijftiental rapporten en een veertigtal artikelen geschreven. Een drietal hoofdthema’s heb ik hierin nader uitgewerkt. Twee heb ik hiervoor al kort beschreven. Ten eerste, vraag ik veel aandacht voor vakmanschap als beroep. Het verwaarlozen van het beroepsbegrip doet volgens mij sterk afbreuk aan de positie van het beroepsonderwijs. Voor een herkenbaar en doorzichtig opleidingsaanbod is immers een duidelijke beroepenstructuur met liefst aantrekkelijke beroepsbeelden van vakmanschap een voorwaarde. Zonder deze structuur is identiteitsontwikkeling van jongeren lastiger, hebben bedrijven en instellingen minder inzicht in de inzet en benuttingsmogelijkheden van personeel en is ook het afstemmen van aanbod en vraag op de arbeidsmarkt moeilijker. Immers, beroepen vervullen idealiter hier een sleutelrol. Naast deze Wat-kant ga ik ook uitgebreid in op de Hoe-kant van beroepsonderwijs. Het gepresenteerde model van opleidingenfabriek naar loopbaancentrum laat zien dat eigentijdse beroepsvorming vraagt om meer differentiatie dan gebruikelijk is in de pedagogische praktijk. Afhankelijk van talent, leerstijl en motivatie en afhankelijk van ondermeer de fase van de beroepsvorming en het beroep waarvoor wordt opgeleid, moet variatie mogelijk zijn in het onderwijsaanbod naar instructie- dan wel constructieleren en meer ruimte voor de uniciteit van talent in de standaardisatie van erkende kwalificaties. Beroepsvorming wordt zo meer dan nu een wederkerig proces tussen deelnemende partijen in plaats van eenrichtingsverkeer.

Een tweede hoofdthema in mijn teksten is succesvol innoveren. Hiervoor is reeds gewezen op een paar artikelen over dit onderwerp. Wat steeds terugkeert is dat een aantal lessen kunnen worden getrokken. Succesvol zijn vraagt om het vooraf duidelijk formuleren van resultaten die men wenst te bereiken, een visie en aanpak waarvan aannemelijk zijn dat die werken. Voorts mag een vinger aan de pols of wordt bereikt wat men heeft voorgenomen, niet ontbreken. Ook is leren van opgedane ervaringen een onmisbaar onderdeel van een krachtig innovatievermogen. En niet te vergeten, men moet voor succes de noodzaak van de innovatie inzien en zich als eigenaar willen opstellen en gaan gedragen.

Een derde hoofdthema dat nog niet expliciet aan de orde is geweest, is het zoeken naar een beter samenspel tussen innoveren en onderzoeken. Ervaringen met innovatieprojecten hebben steeds opnieuw duidelijk gemaakt dat deze twee grootheden elkaar vaak niet helpen en zelfs elkaar dwarsbomen. Dit komt omdat de centrale actielogica’s in wezen tegenstrijdig zijn. Innovatie is gericht op waarde toevoeging en onderzoek op waarheidsvinding. Voor een goede afstemming is volgens mij een voor onderzoekers niet gemakkelijke keuze  noodzaak: niet het onderzoeksdesign maar het innovatiedesign dient voorop te staan. Pas dan kan gezamenlijk worden gezocht naar beter en succesvoller beroepsonderwijs. Ik verwijs voor een verantwoording naar o.a. het artikel “Doorbraakmethode in beroepsonderwijs”, Tijdschrift voor H&M, 2011/3. Een meer beknopte beschrijving is te vinden in: Samen innoveren en onderzoeken” in Tijdschrift Onderwijsinnovatie, Heerlen, Open Universiteit, 2011. Voor een voorbeeld van een samenspel tussen onderzoek en innovatieve praktijken verwijs ik naar actieonderzoek op de Haagse hogeschool dat ik samen met Ineke van der Meule en Meike de Jong heb uitgevoerd voor het opzetten van een kwaliteitszorgsysteem voor lectoraten, zie “Kwaliteitsimpuls lectoraten HHS” Haagse hogeschool, juni 2008.

Van 1990 tot 2000: Innovatiebeleid
Na mijn promotie in 1989 heb ik ervoor gekozen advieswerk te gaan verrichten. Eerst voor de gemeente Nijmegen in het kader van het ISO-project (Intensivering Scholing Onderwijsinstellingen). Samen met Andre van Straaten heb ik dit project uitgevoerd voor het Nijmeegse beroepsonderwijs. Hij was in eerste instantie verantwoordelijk voor bij- en omscholing van docenten en ik voor het helpen van scholen bij het opzetten van contractonderwijs. Wij ontvingen in 1990 de prijs voor het succesvolste ISO-project van het land.
Eind 1990 heeft Jan Engberts, toen voorzitter van SVM-procescoördinatie, me gevraagd adviseur/directeur te worden van het bureau. Mijn specifieke opdracht was: het vernieuwingsproces voor het mbo op te zetten. Ik heb voor de proces coördinatie een plan van aanpak geschreven dat door het ministerie van O&W is geaccordeerd en van budget voorzien. In 1992 is de SVM- procescoördinatie  verbreed tot BVE-procescoördinatie en werd ik secretaris/directeur van het bijbehorende bureau. Opnieuw met als specifieke taak de opzet en programmering van het vernieuwingsbeleid. De vier jaar procescoördinatie zijn voor mij spannende en leerzame jaren geweest waar ik met plezier op terugkijk. Een leerervaring die mij altijd bij zal blijven was de onttroning van onderwijsonderzoek. Het speelde nauwelijks of geen rol in de beleidsprocessen. Zelfs de hoofdrolspelers in de operatie van schaalvergroting en vernieuwing van het mbo bleken nauwelijks of geen kennis te hebben van de resultaten van onderwijsonderzoek. Meer en beter samenspel tussen beleid en onderzoek was volgens mij dan ook hoogst noodzakelijk. Door mijn kennis en ervaring op het gebied van onderwijsonderzoek in de planvorming van onderwijsinnovatie in te brengen heb ik gepoogd daaraan een bijdrage te leveren.

Eind 1994 ben ik van Bunnik waar de procescoördinatie huisde, naar Nijmegen vertrokken met als nieuwe opdracht van het ministerie van O&W: de introductie en het gebruik van Internet in het BVE-veld.  Ook deze sector zou van deze nieuwe technologie moeten gaan profiteren. Peter van den Dool was de grote animator achter dit beleid binnen de directie BVE van het ministerie. Hij is dan ook de peetvader van BVEnet. Voor introductie en gebruik van Internet was jaarlijks innovatiebudget beschikbaar dat is ingezet voor talrijke demonstratieprojecten op schoolniveau en voor het opzetten en vullen van de site van BVEnet. De aanpak met laagdrempelige innovatieprojecten, waarin docenten zelf nieuw onderwijs maakten, was nieuw in het innovatiebeleid. De opzet was dat monitoring en evaluatie van de talrijke projecten zou zorgen voor een gereedschapskist met praktische voorbeelden hoe je Internet kon toepassen in de BVEsector.  Met veel plezier heb ik tot de zomer van 1998 leiding gegeven aan het bureau op de Oranjesingel. Zonder anderen te kort te doen, wil ik in bijzonder noemen Manon van Eijden die als assistant to the manager veel klussen klaarde en me door dik en dun steunde en ook Wilfred Rubens. Als eerst verantwoordelijke voor de site van BVEnet ontwikkelde hij zich in een mum van tijd tot de “slimste” man van de sector. Op verzoek van het bestuur van ROC Nijmegen ben ik daarna directeur geworden van de sector Techniek. Een school met toen circa 3000 studenten en 200 personeelsleden. Ofschoon ik niet langer dan het schooljaar 1998/99 deze functie heb vervuld, durf ik nu te zeggen in die tijd meer van de echte schoolpraktijk te hebben geleerd dan in de bijna dertig jaar daarvoor.

Deze tweede periode van mijn loopbaan heeft veel minder publicaties opgeleverd dan de twee andere perioden. Gezien de aard van mijn werk is dit te verwachten. Hier wil ik toch een aantal karakteristieke rapporten noemen. Samen met het bureau BVEnet heb ik in 1998 het boekje: “Pioniersfase in beeld 2.0.  BVEnet als emerging practice” Nijmegen/BVEnet gepubliceerd. In samenwerking met Peter Smets en Carlo Hover heb ik in opdracht van de voorloper van de huidige MBO-raad  de rapportage: “Beroepsonderwijs in goede banen; visie en ambitie van middelbare beroepsopleidingen” De Bilt/VBVE,1993  opgesteld. Jammer is dat dit rapport alleen bij het opstellen en bij het aanbieden aan de minister van O&W de aandacht die het verdiende, heeft gekregen. Toentertijd hebben we al gewezen op het belang van een beroepenstructuur voor het goed kunnen functioneren van het mbo. In samenspraak met de procescoördinatoren heb ik ook in 1993 de nota: “Met elan naar onderwijs op maat: hoofdlijnen van de visie van BVE-procescoördinatie op haar opdracht” Bunnik/BVE-procescoördinatie geschreven.
Wat de artikelen betreft in deze periode, wil ik in het bijzonder wijzen op het artikel over doel en context BVEnet: “Van introductie naar gebruik van ict in bve. Over emergent practices, teddybeersyndroom en expertisecentra” in het tijdschrift voor H&M, 1997, nr.4. Verder wil ik noemen het artikel: “Een olifant, zes blinden en het rendement van opleiding. Nieuwe perspectieven voor de inrichting van het secundair beroepsonderwijs” in Mesomagazine 1995, nr.82 en twee artikelen die ik samen met Jan Engberts, toen bestuursvoorzitter van de procescoördinatie, heb geschreven: “Een nog niet geheel uitgevoerde salto mortale. De vernieuwing mbo” in Mesomagazine 1995, nr.78 en “Deregulering en kwaliteit van het BVEveld; hoog tijd voor een heroriëntatie”  in B.P.M. Creemers (red) “Deregulering en kwaliteit van het onderwijs” Groningen/RION, 1994.

1972-1990: Onderzoek
De eerste periode van mijn loopbaan was ik onderzoeker. Na een kleine twee jaar op het Nederlands Centrum Voor Volksontwikkeling (NCVO) te Amersfoort, ben ik in 1974 gaan werken op het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) te Nijmegen en wel binnen de sectie Onderwijsresearch. Ik werd collega van een groep gedreven jonge  onderzoekers. We leerden elkaar het vak en waren hier trots op. Wanneer je binnen het ITS de interne discussie over je onderzoek achter de rug had, kon je met een gerust hart buiten gaan  optreden. Inhoudelijk kwam ik middenin de gelijke-kansenproblematiek terecht en ging me bezighouden met de problemen die schoolverlaters van lbo en mavo ondervonden bij de overgang van school naar arbeidsmarkt. Om voor deze werkende jongeren betere toekomstkansen te creëren, had aanpassing van het onderwijs aan de behoeften van deze doelgroep in het beleid een hoge prioriteit. Nog altijd verwijs ik voor historie, analyse en mogelijke oplossingen van deze problematiek graag naar de in 1976 samen met Paul Tesser geschreven studie “Werkende jongeren en hun onderwijs”. Het denken in gelijke kansen is in de jaren tachtig naar de achtergrond gedrongen door het aansluitingsdenken. Bij de vormgeving van het beroepsonderwijs staat nu niet meer het problematische verband tussen herkomstmilieu en schoolsucces centraal, maar het streven naar verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeid. Om als ITS goed te kunnen anticiperen op deze omslag en de benodigde deskundigheid te ontwikkelen en te bundelen, hebben Ben Hovels en ik in 1981  de sectie onderwijs, arbeidsmarkt en beroep opgericht. Een tiental onderzoekers heeft zich bij de start verbonden aan deze nieuwe sectie van het ITS. Ze heeft daarna een rijke portefeuille aan opdrachten gekend.

Omdat schoolverlaters van lbo en mavo geen beroepsopleiding achter de rug hebben als ze op de arbeidsmarkt komen, werd in de jaren tachtig door overheid, bedrijfsleven en onderwijsorganisaties naarstig gewerkt aan een uitbreiding van de beroepsopleidingsmogelijkheden voor deze groep. Twee sporen werden gevolgd. Door het tot stand brengen van een nieuwe opleiding: kort middelbaar beroepsonderwijs konden ze volledig dagonderwijs gaan volgen en via verdubbeling van het bestaande leerlingwezen werden de opleidingsmogelijkheden in het parttime onderwijs verruimd. Het behalen van de kwalificatie “aankomend vakman” stond in beide leerwegen voorop.
Alweer vijfentwintig jaar geleden heb ik op basis van een viertal als projectleider uitgevoerde onderzoeken naar de aansluiting tussen onderwijs en arbeid op het niveau van aankomend vakmanschap mijn proefschrift “Van niemandsland naar beroepenstructuur” Nijmegen/ITS, 1989 geschreven. Behalve een beschrijving van de aansluitingsproblemen op macro-, micro- en mesoniveau waarmee schoolverlaters van lbo en mavo kampen, wordt in beschouwende zin ingegaan op oplossingen voor de geschetste problemen. Een bijzondere plaats wordt hierbij ingeruimd voor de opbrengst van nieuwe beroepentheorieën. Deze wijzen erop dat ook in onze tijd beroepen nog altijd van grote persoonlijke en maatschappelijke betekenis zijn. In Nederland wordt dan ook ten onrechte dit Rijnlands denkmodel, waarin beroepsvorming en vakmanschap een centrale sturende rol spelen, verwaarloosd. Scholen en bedrijven missen hierdoor belangrijke ankerpunten in de onderlinge afstemming.  Al is gezegd dat een ander gevolg is dat jongeren van lbo en mavo onvoldoende condities voor identiteitsontwikkeling wordt geboden. Ik concludeer in mijn proefschrift dat de aansluitingsproblematiek op het niveau van aankomend vakmanschap vooral wordt gekenmerkt door het grotendeels ontbreken van een beroepenstructuur. Jongeren bevinden zich hierdoor in een niemandsland. Mijn mening is dat een beroepentheoretische kijk een juist referentiekader biedt voor het echt verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeid. Er dient dan op het niveau van aankomend vakmanschap te worden gezocht naar erkende kennis en kunde die bescherming geeft op de arbeidsmarkt, die bedrijven en instellingen duidelijk zicht geeft over inzetbaarheid en tevens jongeren een stevig houvast biedt bij de ontwikkeling van hun beroepsidentiteit. Ook beweer ik dat zonder een dergelijk perspectief de kans groot is dat belangrijke partijen, overheid, bedrijfsleven en onderwijs, de weg kwijt raken. Het “oud” aansluitingsdenken zorgt voor verlamming en verwarring.

In totaal kan ik wijzen op een veertigtal publicaties in deze eerste periode van mijn loopbaan. Wat rapporten betreft komt voor mij vanzelfsprekend op de eerste plaats mijn proefschrift: “Van niemandsland naar beroepenstructuur. Een studie over de aansluiting tussen onderwijs en arbeid op het niveau van aankomend vakmanschap” Nijmegen/ITS, 1989. Voorts noem ik hier een rapportage van een grootschalig onderzoek dat ik samen met Paul Tesser en Arie Mens heb uitgevoerd onder vroege schoolverlaters ofwel werkende jongeren:  Geurts, J., P. Tesser en  A. Mens “Werkende jongeren; basisrapport van een onderzoek naar milieu, schoolloopbaan, onderwijsbehoefte en arbeidssituatie van werkende jongeren” ITS/Nijmegen, 1980. Artikelen uit deze periode die ik naar voren wil schuiven zijn: Geurts, J., B. Hövels en B. van Onna “Autonomie in de aansluiting tussen onderwijs en arbeid” in M. Akkermans, H. Doorewaard, F. Huygen (red) “Autonomie als arbeidssociologisch vraagstuk” Zeist, 1987.  Geurts, J.  “Aankomend vakmanschap via tussenstelsel; pre advies voor de WRR over de relatie tussen algemene basisvorming en beroepsopleiding”, in WB23 van de WRR/Den Haag, 1986.  Geurts, J. “Recente ontwikkelingen in het beroepsonderwijs in Nederland” in Cedefop “Beroepsopleiding” juli, 1985.  Geurts, J. “Kwalificatie en werkende jongeren” in H. Kleijer e.a. (red) “Onderwijs, kwalificatie en arbeidsmarkt” Link/Nijmegen, 1981.

Tot slot

Het deed me goed om begin 2012 bij de afsluiting van mijn loopbaan benoemd te worden tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau. Dit vanwege mijn langjarige en gewaardeerde inzet voor verbetering en vernieuwing van het Nederlandse beroepsonderwijs. Terugkijkend weet ik niet hoe succesvol deze inzet is geweest. Wel constateer ik dat de laatste jaren helder is geworden dat we ook in een kenniseconomie niet zonder vakmanschap kunnen. Praktisch talent dient daarom voldoende kans en gelegenheid te krijgen zich een beroep eigen te maken. Het is de manier om  in een steeds vluchtiger en complexere wereld greep te krijgen op de omgeving en zo het eigen leven zoveel  mogelijk vorm te geven en een zelfstandig bestaan op te bouwen. De vraag is of het beroepsonderwijs en de maatschappij in het algemeen wel voldoende hun best hebben gedaan hiervoor te zorgen.  Hopelijk kunnen bij pogingen tot meer en betere realisatie van succesvol beroepsonderwijs de gepresenteerde bevindingen behulpzaam zijn.